Toetsing

Toetsing


Inhoudsopgave


Voor- en nadelen open en gesloten vragen

(naar boven)

Open vragen Gesloten vragen
voordelen voordelen
  • Sommige doelen alleen met open vragen te toetsen (o.a. creativiteit, ontwerp, schets).
  • Grotere vrijheid voor student bij beantwoorden vragen (o.a. meer creativiteit).
  • Beantwoorden vraagt een meer productieve houding van de student dan bij gesloten vragen.
  • Antwoord informeert de beoordelaar over mate van leerstofbeheersing (en/of eventuele hiaten).
  • Vraagconstructie verhoudingsgewijs eenvoudiger dan bij gesloten vragen.
  • Beantwoorden kost weinig tijd (geen tijd en issues t.a.v. formulering).
  • Corrigeren kost weinig tijd.
  • Beoordeling is objectief.
  • Veel vragen stellen in korte tijd.
  • Zeer geschikt voor statistische analyse toetskwaliteit (moeilijkheidsgraad, betrouwbaarheid).
nadelen nadelen
  • Lastig open vraag zo te formuleren dat het voor studenten helder is wat voor antwoord van hen wordt verlangd.
  • Risico van verschillende beoordeling tussen docenten is groter (vraagt om een goed antwoordmodel)
  • Beoordelen kan tijdrovend zijn.
  • Niet alle soorten doelen kunnen met gesloten vragen worden getoetst.
  • Groter beroep gedaan op leesvaardigheid van student.
  • Des te kleiner het aantal alternatieven, des te groter de kans dat het goede antwoord wordt geraden.
  • Vraagconstructie is moeilijk en tijdrovend.

(naar boven)

Tips voor het maken van open vragen

  1. Formuleer eerst normantwoord
  2. Formuleer de vraag.
  3. Voeg eventuele antwoordrestricties toe.
  4. Vemeld bij toets(deel)vraag het aantal te behalen punten aan.
  • Aandachtspunten:
    • Splits vraag in een informatie- en vraaggedeelte
    • Formuleer vraag voorkeur positief (accentueer negatieve vraagstelling).
    • Formuleer de vraag en/of opdracht zo concreet mogelijk
    • Zorg ervoor dat de vraag taalkundig te begrijpen is voor de student (o.a. korte zinnen, vermijd overbodige) moeilijke woorden).
  • Controle: Checklist controle open vragen

(naar boven)

Tips voor het maken van gesloten vragen

  1. Formuleer stam
  2. Formuleer sleutel (goede alternatief)
  3. Formuleer afleiders (foute alternatief)
  • Aantal toetsvragen in de toets (Gokkans: neemt af naarmate het aantal alternatieven groter is):
    • vierkeuze: 40 vragen
    • driekeuze: 60 vragen
    • tweekeuze: 80 vragen
  • Aandachtspunten:
    • Formuleer vraag als directe vraag
    • Stel een vraag in de stam (hele zin, afgesloten met vraagteken). Dus geen onvolledige zinnen die in de alternatieven moeten worden afgemaakt.
    • Formuleer stam bij voorkeur positief (of accentueer negatieve formulering).
    • Formuleer sleutel en afleiders in dezelfde stijl.
    • Zorg dat alternatieven elkaar niet overlappen.
    • Neem bij vragen met weglatingen, geen zinnen letterlijk over uit een leerboek.
  • Controle: Checklist gesloten vragen

(naar boven)

Moelijkheid en betrouwbaarheid van de toets

De moeilijkheidsgraad van een vraag is met de volgende formule vast te stellen:

P = aantal studenten dat het juiste antwoord gaf
totaal aantal studenten

        NB. zie normen p.waarden

Moeilijkheid en betrouwbaarheid van de toets
A = aantal studenten dat afleider x heeft gekozen
totaal aantal studenten

Ideale A-waarde is: (1 - Pi) / aantal afleiders

Bij meerkeuzevragen mag de A-waarde van een alternatief niet groter zijn dan de P-waarde van de vraag, anders deugt de vraag niet. Het kan niet zo zijn dat een fout antwoord vaker wordt gekozen dan een goed antwoord, tenzij... in het onderwijs het betreffende onderwerp niet of niet goed aan de orde is geweest. Zie ook:

(naar boven)

Stappenplan voor het samenstellen van een toets

De 10 stappen zijn (Bron: Universiteit Twente, P. Besnard (Eds.): zakboek toetsing)
  1. Stel vast welke doelen toetsbaar zijn.
  2. Plaats deze doelen in een toetsmatrijs.
  3. Bepaal de vorm en lengte van de toets.
  4. Stel de toets samen.
  5. Bepaal de beoordelingscriteria en de normen.
  6. Leg de cesuur vast.
  7. Laat een collega de toets beoordelen of maken.
  8. Ontwerp aanvullende toetsen, hertoetsen en proeftoetsen.
  9. Schrijf instructies voor de student.
  10. Neem de toets af en evalueer de toets.

(naar boven)

Links

(naar boven)

Bronnen

(naar boven)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen